In de nieuwsbrief van het Stadsklooster Simpelhuys is in de afgelopen tijd in de vorm van een feuilleton de geschiedenis van het Cellebroederklooster beschreven. Hieronder tref je de afleveringen in zijn geheel aan (voor zover verschenen tenminste dan...):

 

De geschiedenis van het Simpelhuys

Hoe het allemaal begon

In de 15e eeuw is Middelburg een bloeiende en bruisende stad. Het is een plaats waar kooplieden hun waar aanbieden, een stad gonzend van de bedrijvigheid. In deze stad vestigden zich de Cellebroeders en Cellezusters. Deze congregaties zijn ontstaan uit de Begarden (mannen) en Begijnen (vrouwen). Beide groepen geestelijken waren in Middelburg aanwezig. Het Begijnhof is algemeen bekend, maar dat de Bogardstraat herinnert aan de Begarden is minder bekend. Een groepje Begarden heeft waarschijnlijk de stap genomen om, in navolging van wel 37 andere cellebroederkloosters in de rest van de Holland en Vlaanderen een nieuw klooster te stichten.Wanneer dat precies gebeurd is, is niet bekend, maar het moet voor 1468 geweest zijn, want een vertegenwoordiger van het klooster uit Middelburg wordt in dat jaar vernoemd als aanwezig bij een kapittel in Luik.

De Cellezusters stichten overigens ook een klooster wat bekend wordt onder de naam Bachtensteen, op de plaats waar nu het huis Willibrord staat.
Uit een akte van 1473 blijkt dat burgemeesters, schepenen en raad van Middelburg toestemming geven voor de stichting van een klooster der Cellebroeders. In de periode die daarop volgt is er een klooster gebouwd dat zo rond 1480 gereed is gekomen. Op zich was het geen groot klooster. De meeste tijd verbleven er tussen de 10 en 15 broeders.

Het werk van de Cellebroeders

Het werk van de armenzorg waar de Cellebroeders zich mee bezig hielden was vooral gefundeerd op de kerkelijke leer van de zeven werken van barmhartigheid. De Cellebroeders richten zich vooral op het bezoeken van de zieken en gevangenen en begraven van de doden.
Eeuwenlang heeft de pest grote delen van Europa in zijn greep gehouden. Van de 14e tot aan het einde van de 17e eeuw werden de Lage Landen overspoeld door verschillende golven van de ‘haestige’ of ‘contagieuse siecte’, de ‘pestilencie’. Arm of rijk, jong of oud, in pesttijden bleef niemand gespaard. Massale sterfte ontwrichtte de hele samenleving. De Cellebroeders, samen met de Cellezusters waren het, die zich het meest met de verpleging van de pestlijders bezighielden. Daarnaast verzorgden ze de stervenden en legden de doden af. Afhankelijk van de rijkdom en status van de overledene legden ze de dode in een kist of rolden hem in een mat en begeleidden hem naar de laatste rustplaats.

Naast het begraven van pestslachtoffers ontfermden ze zich ook over ter dood veroordeelden en hun begrafenis en bekommerden zich om overleden mensen in de gevangenis en overleden vreemdelingen in de stad die verder geen verwanten hadden.
Voor hun taak ontvingen ze voor elke dode op de baar vijf stuivers. Armen werden pro deo begraven en kinderen tegen gereduceerd tarief.
Cellebroeders zijn binnen de grote familie van kloosterorden en religieuze stromingen vrij onbekende en onopvallende kleine broertjes. In verschillende handboeken voor kerkelijke geschiedenis worden ze in één of twee bladzijden besproken. Hun paragraafje is meestal ondergebracht ergens tussen de augustijnen, de begijnen en de begarden. Vaak wordt dan vermeld dat deze eenvoudige broeders en zusters de zorg voor de ernstig zieken en in het bijzonder de pestlijders op zich namen en de doden begroeven. Hun conventen behoren tot de laatste die opgeheven werden ten tijde van de Reformatie aangezien ze zulke nuttige werkzaamheden verrichtten.

In 1472 riep paus Sixtus IV hun verzameling van conventen officieel uit tot orde der Cellebroeders. Ze legden de drie kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid af en volgden de derde regel van Augustinus. Aangezien hun leden niet tot priester gewijd werden, hielden zij zich niet bezig met zielzorg en prediking, maar meer met de praktische uitvoering van de werken van barmhartigheid. Deze praktische instelling verklaart waarom er van hen geen uitgebreide bibliotheken of prachtige codices bewaard zijn gebleven. De huizen waren over het algemeen arm, de bezittingen in land en huizen waren ook bescheiden. De kloosterlingen voorzagen in hun onderhoud met bedelen, met de gelden die zij voor hun diensten in rekening brachten en ook wel met handwerk. Voor een belangrijk deel waren zij aangewezen op stedelijke subsidies, uitdelingen en schenkingen van hun welgezinde particulieren.
In Middelburg hadden de Cellebroeders evenals in vele andere kloosters recht op een vrijstelling van accijns op een vat bier en sinds 29 oktober 1502 maar liefst op twee vaten accijnsvrij bier. Uit de stadsrekeningen blijkt dat de burgemeesters en schepenen van Middelburg in 1557 zelfs in het klooster kwamen dineren. Dit gebeurde zeer waarschijnlijk ter gelegenheid van het generaal kapittel dat in dat jaar in het klooster werd gehouden. Het moet er op die avond in 1557 overigens vrolijk aan toe zijn gegaan, aangezien de wijn rijkelijk vloeide en er in de rekeningen ook een bedrag van zes pond vermeld wordt voor de 'schalmeiers' van de stad, die 'over den tafel gespeelt' hadden. De pater ontving, uit dankbaarheid voor de bewezen diensten tijdens de pest, twee schaapsbuiken, zes tonnen bier en een vat wijn.

Aangezien de Cellebroeders na hun professie niet tot priesters gewijd werden - ze bleven leken - moest de mis opgedragen worden door een regulier of seculier priester van een ander klooster of van de parochie. Vaak zien we paters uit Augustijnerkloosters optreden in de functie van biechtvader en pater. Bij de kloosters van de derde orde was eigenlijk geen sprake van meerdere soorten conventuelen. Alle kloosterlingen hadden in principe dezelfde status: de pater kon een seculier priester zijn, maar meestal werd hij uit het midden van de conventuelen gekozen. In het laatste geval was hij dus een leek en had hij geen aparte opleiding genoten. De leden van de celle-orde werden eigenlijk altijd aangeduid als 'broeders' en 'zusters': zelden komen we de benaming 'non' of 'monnik' tegen. De eenvoudige, praktische levensinstelling van de broeders en zusters van de celle-orde doet kloosterlingen van een niet al te hoge afkomst vermoeden. Degenen die intraden zullen van eenvoudige huize zijn geweest. Voor het klooster van de Middelburgse Cellezusters Bachtensteene was door de stad bepaald dat er geen dochters opgenomen mochten worden die binnen Zeeland gegoed waren. Voor zover bekend hielden de broeders en zusters zich niet bezig met enige educatieve taken. Van hen zijn nauwelijks boeken en geschriften bewaard. Waarschijnlijk was meer dan de helft van hen de schrijfkunst niet eens machtig. De leeftijd waarop iemand tot de professie werd toegelaten, werd in 1464 gesteld op minimaal achttien jaar. Aangezien aan de professie een verplichte proeftijd van een jaar vooraf moest gaan, kunnen we de leeftijd waarop iemand ingekleed werd, stellen op minimaal zeventienjaar.

Het aantal conventuelen dat de kloosters bevolkte, is moeilijk te schatten. Er is geen duidelijke, uniforme bron voor aan te wijzen. We moeten het doen met de gegevens betreffende het aantal conventuelen dat voor een klooster genoemd werd op het tijdstip dat het bijvoorbeeld in bescherming genomen of opgeheven werd. Ook aan de lijsten betreffende de alimentatie die aan kloosterlingen na de secularisatie van de kloosters werd uitgekeerd, kunnen aantallen worden ontleend. Het is in ieder geval zeker dat die aantallen niet erg hoog waren. Aantallen tussen de 5 en 15 worden bij verschillende andere Cellebroeder- en Cellezusterkloosters in den lande genoemd. Middelburg zal daar waarschijnlijk niet veel van afwijken.

Zoals we al eerder hoorden was het belangrijkste werk wat de Cellebroeders deden het verzorgen van hen die aan de pest leden, en het begraven van hen die aan de pest waren overleden. Hoewel men nog niet ontdekt had dat de besmetting met de pest door de parasieten van de rat werd overgedragen en men nog in de overtuiging verkeerde dat de besmetting door middel van kwade dampen, via het water of door de lucht, geschiedde, besefte men goed dat degenen die dagelijks met de pest in aanraking kwamen besmettingshaarden vormden voor de rest van de samenleving. De risico's die de Cellebroeders liepen bij de uitoefening van hun taken in de wereld worden goed weerspiegeld door de maatregelen die men in verschillende steden heeft getroffen om het besmettingsgevaar dat de Cellebroeders met zich meedroegen tot een minimum te beperken. Volgens de hun verleende bisschoppelijke privileges waren zij normaal gesproken verplicht om ondanks het bezit van een eigen kapel een aantal malen per jaar de mis te volgen, te biechten en ter communie te gaan in de parochiekerk. Om de Cellebroeders ten tijde van de pest en andere besmettelijke ziekten bij het kerkvolk vandaan te houden, bouwde men in 1547 in de Amsterdamse Oude Kerk een galerij, een zogenaamde 'hangcamer'. Vanaf deze plek hadden ze zicht op de altaren van Sint Eloy en Sint Matthijs. Misschien werd wegens het besmettingsgevaar hier de biecht gehoord, die de Cellebroeders verplicht waren een aantal malen per jaar in de parochiekerk te laten afnemen. In Middelburg kregen de broeders in 1529 een plaats onder het orgel boven het portaal in de Westmonster kerk aangewezen, zodat ze afgezonderd van het gewone kerkvolk de dienst konden bijwonen.

 

Bijzondere werkzaamheden van de Cellebroeders

Een taak die de Cellebroeders al in een zeer vroeg stadium vervulden en die langzamerhand, naarmate de pestepidemieën schaarser werden, in sommige steden zelfs uitgroeide tot één van hun hoofdbezigheden, was de verpleging van krankzinnigen en geestelijk gestoorden. Tot op de dag van vandaag is in België, Duitsland en de Verenigde Staten een groot aantal Alexianerkloosters (de patroonheilige van de Cellebroeders was vanaf ongeveer 1472 de heilige Alexius, en worden de Cellebroeders zodoende vanaf die tijd ook wel Alexianen genoemd) gespecialiseerd in psychiatrische hulpverlening. Veel Cellebroederskloosters hadden enige 'commensalen' ofwel inwonende patiënten. Als vergoeding voor de kosten van het levensonderhoud van de patiënt ontving het klooster in bepaalde termijnen een bedrag. Ook hier was de verpleging niet echt op genezing of verbetering gericht en zal er van zorg in de moderne zin des woords weinig sprake geweest zijn. Deze zou beter omschreven kunnen worden als 'bewaring' van geestelijk gestoorde mensen; bij de meest agressieve gevallen ging men zelfs tot opsluiting over. Het verzorgen van deze ‘simpele’ mensen heeft het Simpelhuys dan ook zijn naam bezorgd. Equivalent daaraan is de benaming van het Cellebroedersklooster in Dordrecht wat Dolhuys is gaan heten; verzorgen van de zogenaamde ‘dolle’ mensen.


In een aantal steden was de broeders een vitale rol tijdens brand toebedeeld. Zowel in Amsterdam als in Middelburg treffen we hierover ordonnanties in de keuren aan. In een Amsterdamse keur is vastgelegd dat ten tijde van brand alleen een vastgesteld aantal buren, de gezworen dragers en de Cellebroeders naar de brandhaard zouden snellen (waarschijnlijk om onoverzichtelijke toestanden te voorkomen). Een vergelijkbare ordonnantie vinden we in Middelburg, waar in geval van brand een nauwkeurige taakverdeling was gemaakt tussen de diverse religieuze groeperingen binnen de stad. De Cellebroeders zouden post vatten aan de waterputten. Het blussen gebeurde door de 'religieuzen', monniken en priesters. De zusters, bagijnen en andere jonge vrouwen droegen het water aan. De stadswachters ontfermden zich over de emmers en ladders. In Gouda moest het cellebroedersklooster wel over de gebruikelijke voorraad brandemmers beschikken, maar was er tijdens brand geen belangrijke rol voor de broeders weggelegd. De stad had voor de opslag en het onderhoud van de brandemmers van een aantal kloosters immers speciale 'bewaerders' aangesteld. In Delft hadden de Cellebroeders een ander bijbaantje. Ze werden ingeschakeld bij het luiden van de klokken in de Oude Kerk. In een register van de Oude Kerk uit 1571 staan ze vermeld onder de post 'betalinge vant luyen van den clocke'. Een heel bijzondere opdracht kreeg een pater van de Middelburgse Cellebroeders in 1485. Te midden van oorlogshandelingen ging hij 'secretelijk' naar Sluis en omstreken om inlichtingen in te winnen voor de stad. Voor deze geheime missie ontving hij drie schelling en vier groot. Als Cellebroeder kon hij zich blijkbaar zonder al te veel ophef vrij bewegen. Het is opvallend dat de meeste van deze bijbaantjes allen te definiëren zijn als klusjes in stadsdienst of taken ten dienste van de stedelijke samenleving.
Toen in 1574 de stad Middelburg overging naar de Prins van Oranje en een uittocht volgde van priesters en monniken, mochten (of misschien wel: moesten) de Cellebroeders blijven. Ze waren onmisbaar geworden, zoals ze zich ontfermden over degenen die er in de stad eigenlijk niet behoorden te zijn: gekneusden en gehavenden, degenen waarmee men niet goed raad wist, en die groep waar men vrees voor had; de lijders aan de pest.

De laatste dagen van het Cellebroederklooster

Zo'n 20 jaar later waren er waarschijnlijk geen echte Cellebroeders meer; hun plaats is gaandeweg ingenomen door leken, die ook wel Cellebroeders genoemd werden. Het klooster werd na 1592 overgenomen door de burgerlijke overheid en in de leegstaande kapel werd een werkplaats ingericht voor tapijtwevers.
In 1591 hadden de Staten van Zeeland een wandtapijt met een voorstelling van de zeeslag bij Bergen op Zoom in opdracht gegeven bij de Delftse tapijtwever François Spierinck. Toen ze in 1595 het resultaat zagen waren ze daar zo van onder de indruk dat ze besloten er nog 6 te laten maken. De opdracht voor deze tapijten ging naar het atelier van Jan de Maecht, die zich onlangs uit Brussel in Middelburg had gevestigd. Zijn atelier bevond zich in de kapel van het voormalige cellebroedersklooster. Na zijn overlijden in 1598 zette zijn zoon Hendrik het atelier voort. Uiteindelijk werd het laatste tapijt in 1603 voltooid onder leiding van diens weduwe, Francijntje Obry.
Deze wandtapijten zijn nog steeds te bewonderen in de bovenzaal van het Zeeuws Museum. Bekijk hier plaatjes van de wandtapijten.
In ongeveer dezelfde periode dat er in de kerk een weverij gevestigd was, vonden er in het Cellebroedersklooster diverse verbouwingen plaats, waarbij er speciale kamers werden ingericht voor de bewaring van ‘krankzinnigen’. I

n 1611 verhuisden de laatste leke-cellebroeders op hoge leeftijd naar het Bagijnhof en kwam het voormalige klooster in zijn geheel ter beschikking van de krankzinnigenzorg. Uit de hele stad, en eveneens uit de wijde omtrek, werden de ‘simpelen’ en ook de lijders aan vallende ziekte opgenomen. Het klooster werd ‘Simpelhuys’. Een naam die het tot op heden behouden heeft.
De patiënten werden er, onder toezicht van de regenten van het huis, verpleegd door een binnenvader en -moeder, ‘voor altoos of voor eenigen tijd tot ze hersteld zijn’.

Op de overloop van het Simpelhuys is nog een met eiken balkjes verstevigde wand te zien als overblijfsel van hun cellen. Daar onder bevond zich nog een andere cel, smal, donker en laag, bestemd voor patiënten die geïsoleerd moesten worden. Ze waren niet boven, ze waren niet beneden, ze verbleven ergens tussen de woonruimten in. Voor één of twee cent mocht men ze komen bezichtigen…In de late Middeleeuwen werden geesteszieken meestal uitbesteed bij chirurgen, bij armen, in kloosters, leprozerieën en pesthuizen. Sinds 1611 bezat Middelburg dus een echt 'Simpelhuys'. Behalve krankzinnigen konden er ook epileptici worden opgenomen. Zo'n 200 jaar lang werden in het Simpelhuys geesteszieken verpleegd. Men was duidelijk begaan met het lot van deze ongelukkigen, en hoewel de middelen primitief waren, zette men zich in het beste er van te maken. Lang is een bord bewaard gebleven, uit het huis afkomstig, waarop men een vrouwelijke verpleegde ziet, die een rol in de hand hield met de tekst: "Compt en siet, het groot verdriet, van die hier treuren, U hulpe biet, vergeet ze niet. 't Kan elk gebeuren. Anno 1629"

In 1811 kwam het Simpelhuys onder beheer van de Commissie der Hospices, die de administratie van het huis fuseerde met die van het armenziekenhuis, waarin besmettelijke patiënten werden ondergebracht. Op 12 december 1812 werden de zieken van het Simpelhuys overgebracht naar een gebouw aan de Herengracht, dat tot die tijd gebruikt werd voor de verpleging van besmettelijke zieken.

De geschiedenis van de Engelse kerk

Terwijl in het in het Simpelhuys een drukte van belang was met de verzorging van 'simpelen', stond de kapel van het klooster vanaf ongeveer 1604 leeg, en was niet meer in gebruik voor diensten. Vanaf 1629 werd de kapel in bruikleen gegeven aan de Engelse Gemeente van Middelburg. Waarschijnlijk is er in deze tijd een plafond in de kerk gelegd. De gotische ramen, die toen te hoog waren, werden gedicht en er werden lagere in de noordgevel gehakt. Ook de deur, die toegang gaf tot het Simpelhuys werd dichtgemetseld. De totale kerk werd omgedraaid, en aan de oostzijde werd een nieuw toegangsportaal aangebracht met een Renaissance poortje, dat bij de brand van Middelburg in 1940 zwaar werd beschadigd.
De preekstoel kwam tegen de westmuur te staan, de kant van het Simpelhuys, en bij de nieuwe ingang aan de oostzijde werd een kleine consistoriekamer gebouwd met enkele berghokken, met daarboven een galerij met het orgel.
Deze compleet vertimmerde kerk werd in 1798 definitief aan de Engelse Gemeente afgestaan. Het bleef 'Engelse Kerk' tot 1 januari 1922, toen deze gemeente, die inmiddels deel uitmaakte van de classis Walcheren van de Hervormde Kerk, werd opgeheven.

Wordt vervolgd.

 

Facebook Image